Officieel Onderwijs

Vademecum leermeester

Vademecum van de leermeester RKG in het officieel onderwijs

Met dit kleine 'vademecum' willen we startende leermeesters informatie geven en op weg zetten om hun opdracht goed te volbrengen.

Onze dienst inspectie-begeleidng RKG is er om te ondersteunen en te begeleiden. Aarzel niet om één van ons te contacteren als je zit met een vraag of een probleem.

Contactpersoon voor scholen is verder ook Jos Smets, de secretaris van vicaris Janssen:

T. 011 28 84 55
e-mail: klik hier

Gelieve steeds één van ons op de hoogte te brengen zodra je tijdelijke opdracht als leermeester godsdienst is afgelopen.

Over regelgeving en organisatie
1. Voordracht en aanstelling

Je wordt aangesteld in het 'ambt van leermeester RKG'. Deze aanstelling gebeurt door het schoolbestuur. Je bent daarmee volwaardig personeelslid van deze school/scholen.
Voorafgaand aan deze aanstelling heeft de bevoegde instantie voor katholiek godsdienstonderwijs (dat is de afgevaardigde van de bisschop) je 'voorgedragen' aan de school. Het is namelik de bisschop die je deze opdracht voor het godsdienstonderwijs toevertrouwt. Deze voordracht is noodzakelijk voor een geldige aanstelling.

Deze voordracht moet formeel schriftelijk aan je aanstellingscontract toegevoegd worden, hetzij als een apart voordrachtdocument (opgemaakt door het bisdom), hetzij met een handtekening vanwege het bisdom in het daarvoor voorziene vak op het LBV03-formulier.

2. Functiebeschrijving en evaluatie

Bij aanstelling in een opdracht van 104 dagen of meer (bv. een zwangerschapsverlof) moet je een functiebeschrijving krijgen. Naast een schooleigen gedeelte bevat deze functiebeschrijving een specifiek deel voor leermeesters. Dit is een standaard functiebeschrijving voor alle leermeesters van de levensbeschouwelijke vakken (goedgekeurd door alle instanties). Enkel dit document mag men je ter ondertekening voorleggen.
Download hier dit vaste onderdeel van de functiebeschrijving leermeester 

Voor de evaluatie van je algemeen functioneren als leerkracht in de school is de eerste evaluator van de school zelf bevoegd (directie bv.). Voor zover het echter gaat om de inhoudelijke en didactische kwaliteit van je godsdienstonderwijs is alleen de inspectie-begeleiding RKG bevoegd en moet deze inspectie een (schriftelijke) bijdrage leveren tot de evaluatie.

3. Decreet rechtspositie

Ook in het ambt van leermeesters val je volledig onder de bepalingen van het personeelsstatuut dat van toepassing is voor de betreffende school:

Hier vind je onder meer de voorwaarden voor het verwerven van TADD of vaste benoeming, verlofstelsels, enz.
Belangrijk om weten is dat de dienstanciëniteit in het ambt van leermeester apart wordt berekend.
Alle kwesties betreffende personeelsstatuut spelen zich af binnen de relatie tussen het personeelslid en de werkgever, het schoolbestuur dus. Met dien verstande echter dat voor elke wijziging in het personeelsstatuut van een leermeester een voordracht is vereist van de bevoegde instantie (in dit geval het bisdom).

4. Organisatie van het onderwijs in de levensbeschouwelijke vakken

Het onderwijs in de levensbeschouwelijke vakken heeft een eigen organisatie en regelgeving. Veel hiervan kan je terugvinden in de omzendbrief 'Onderwijsinspectie over de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer'. 

In deze brief kan je lezen over bv. de te volgen procedure bij de keuze van een levensbeschouwelijk vak (met de daarbij horende standaardformulieren). Maar ook vind je er richtlijnen over het lessenrooster of over de inzetbaarheid van de leermeester buiten de lessen, over het godsdienstlokaal of over pedagogische studiedagen en nascholing...

5. Telling en lestijden

Elk jaar op de eerste schooldag van februari worden de leerlingen geteld, met het oog op het bepalen van de lestijden voor het volgende schooljaar. Ook de keuzegroepen van de levensbeschouwelijke vakken worden dan geteld. Op basis daarvan wordt het aantal cursussen/lesgroepen bepaald dat voor de levensbeschouwelijke vakken kan worden georganiseerd.
De berekening van de meest gevolgde cursus godsdienst, niet-confessionele zedenleer of voor de cursus cultuurbeschouwing gebeurt per vestigingsplaats als volgt:

Aantal lln. op teldag 

Aantal cursussen 

Aantal lestijden 

Tot en met 24 lln. 

1 cursus 

2 lestijden 

Vanaf 25 lln. 

2 cursussen 

4 lestijden 

Vanaf 40 lln. 

3 cursussen 

6 lestijden 

Vanaf 55 lln. 

4 cursussen 

8 lestijden 

Vanaf 70 lln. 

5 cursussen 

10 lestijden 

Vanaf 90 lln. 

6 cursussen 

12 lestijden 

Vanaf 115 lln. 

7 cursussen 

14 lestijden 

Vanaf 140 lln. 

8 cursussen 

16 lestijden 

Vanaf 165 lln. 

9 cursussen 

18 lestijden 

Vanaf 190 lln. 

10 cursussen 

20 lestijden 

Vanaf 215 lln. 

11 cursussen 

22 lestijden 

Vanaf 240 lln. 

12 cursussen 

24 lestijden 

Vanaf 265 lln. 

13 cursussen 

26 lestijden 

Vanaf 290 lln. 

14 cursussen 

28 lestijden 

Vervolgens per groep van 30 lln. 

+ 1 cursus 

+ 2 lestijden 

 Na de verdeling van de aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursus bij de start van het schooljaar over de verschillende vestigingsplaatsen en over de verschillende leerlingengroepen, worden voor de minder gevolgde cursussen aanvullende lestijden toegekend.
De aanvullende lestijden van de meest gevolgde en de minder gevolgde cursussen worden om organisatorische redenen gelijktijdig ingericht. Het totaal aantal aanvullende lestijden van de minder gevolgde cursus in een school, mag nooit meer bedragen dan het totaal aantal aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursus waarop de school recht heeft volgens de berekeningswijze per vestigingsplaats. Een minder gevolgde cursus kan, vanaf 10 leerlingen, opgesplitst worden bij een veelvoud van 5 leerlingen wanneer de overeenstemmende leerlingengroep van de meest gevolgde cursus opsplitst. Vanaf het ogenblik dat er geen leerlingen meer zijn ingeschreven in een bepaalde leerlingengroep van de minder gevolgde cursus, worden de aanullende lestijden niet langer meer gefinancierd of gesubsidieerd voor deze cursus. Als er geen leerlngen meer zijn die een bepaalde minder gevolgde cursus volgen, dan wordt deze cursus niet meer gesubsidieerd of gefinancierd. Zodra een leerling wordt ingeschreven voor een minder gevolgde cursus waarvoor nog geen aanvullende lestijden worden gefinancierd of gesubsidieerd, mag deze cursus onmiddellijk worden ingericht.

Merk op. In scholen van het buitengewoon lager onderwijs wordt het aantal cursussen voor de meest gekozen godsdienst op een andere manier berekend. Indien daar vragen over zijn, kan je ons contacteren.

6. Bijkomende opleiding

Indien je er voor voelt om je loopbaan uit te bouwen in het godsdienstonderwijs en op langere termijn in aanmerking te komen voor een opdracht als leermeester godsdienst, dan is een bijkomende vorming aangewezen. In het bisdom Hasselt is deze vorming ook vereist.
Het meest aangewezen daarvoor is de opleiding aan het HIGW Hasselt (dinsdagavondcursus gedurende drie jaren).

Voor meer concrete info en voor inschrijving, evenals een afspraak voor een pesrsoonlijk gesprek, kan je terecht bij

Daniel Ory, directeur of Jos Smets, secetariaat
Vrijwilligersplein 14
3500 Hasselt
T. 011 28 84 55
E-mail: klik hier

Over verwachtingen en afspraken rond het godsdienstonderwijs
1. Leerplan RKG

Het leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het lager onderwijs in Vlaanderen (Licap, Brussel, 2000) vormt de basis voor het godsdienstonderwijs. Het geeft een duidelijke visie over hedendaags godsdienstonderwijs. Verder geeft het aan welke inhouden binnen een cyclus (graad) uitgewerkt dienen te worden. Het leerplan is bindend in die zin dat alle onderwerpen moeten behandeld worden.
Een handleiding is niet verplicht maar kan een goede hulp zijn bij de uitwerking van wat het leerplan aanreikt.
In het buitengewoon onderwijs vormt
het raamplan rooms-katholieke godsdienst voor het buitengewoon lager onderwijs in Vlaanderen de basisvoor het godsdienstonderwijs.

2. Jaarplanning

Voor iedere klas maak je een jaarplanning op die aangepast is aan het lopende schooljaar. Daarbij is er een evenwichtige aandacht voor:

  • alle voorgeschreven onderwerpen uit het leerplan (6+1)
  • het liturgisch-pastoraal jaar
  • projecten (missio - Welzijnszorg - Broederlijk Delen...

Aangezien het om een planningsdocuement gaat, waak je erover dat er overeenkomst is tussen jaarplan en agenda.

3. Agenda

Als leermeester RKG heb je verantwoordingsplicht t.o.v. de bevoegde instantie (i.c. de bisschop) namens wie je godsdienstonderwijs geeft. Dat veronderstelt een minimale schriftelijke voorbereiding van de les.
Van ervaren leerkrachten vragen we minimaal dat ze per les de doelen of de basisideeën aangeven. In die doelen wordt verwoord wat je tijdens die les in levensbeschouwelijk opzicht wil bereiken bij de kinderen.
Je kunt er ook voor kiezen om basisideeën te formuleren. Dat zijn betekenisvolle inhouden die de kinderen in de loop van de les kunnen ontdekken en waarmee ze zich zullen confronteren.
Door te reflecteren op de doelen van de les of op de basisideeën wordt de godsdienstlesmentaal voorbereid.
Van beginnende leerkrachten vragen we bovendien per les een schema van het lesverloop met daarin ook vermelding van de impulsen en werkvormen.

4. Werkschrift voor de kinderen

Je zorgt ervoor dat alle kinderen beschikken over een werkschrift of een map met werkbladen als ondersteuning van het leerproces. Daarin is voor ieder onderwerp voldoende ruite voor persoonlijke reflectie van de kinderen maar ook voor synthese en inhoudelijke neerslag.

5. Klasmilieu en godsdiensthoek

In de mate dat je over een eigen lokaal beschikt, heb je ook aandacht voor de verrijking van de aankleding van de klas.
Vb.:

  • in de klas is te zien waarover het in het godsdienstonderwijs gaat.
  • er is ook een zichtbare inbreng van de kinderen
  • er zijn symbolen zichtbaar met een eigentijdse kindvriendelijke beeldtaal
  • ...
6. Evaluatie van het godsdienstonderwijs

Godsdienstonderwijs zit ingebed in een leerproces. Dat veronderstelt dat er ook regelmatig geëvalueerd wordt. Uiteraard is deze evaluatie afgestemd op de afspraken die er binnen de school gehanteerd worden betreffende evaluatie en rapportering.
Bij de evaluatie binnen het godsdienstonderwijs houd je rekening met volgende aandachtspunten:

  • Elk onderwerp wordt geëvalueerd.
  • Evaluatie peilt zowel naar inhoudeljke kennisvorming als naar de ontwikkeling van levensbeschouwelijk-communicatieve vaardigheden. Daarnaast wordt ook gepeild naar de godsdienstig-levensbeschouwelijke ontwikkeling van kinderen.
  • Evaluatie kan in de vorm van toetsen, opdrachten in de klas maar ook op basis van observates.

Of en hoe van deze evaluatie aan ouders gerapporteerd wordt, hangt af van de afspraken binnen de school. Minstens kan men de evaluatiegegevens met het kind bespreken. Om zicht te krijgen op de vorderingen van de kinderen houd je de gegevens over de kinderen ook zelf bij.

7. Eerste communie

Inzake de voorbereding van de eerste communie ligt de eerste verantwoordeljkheid bij de parochie. Maar ook als leermeester heb je hierin een eigen verantwoordelijkheid. Je bent betrokken bij de eerste communie via de inhoud van het godsdienstonderwijs. Doorgaans ben je als godsdienstleerkracht ook de brugfiguur tussen het gezin en de plaatselijke parochie.
Verder kun je enige hulp bieden bij de voorbereiding van de viering zelf. In overleg met de parochies(s) moet het mogelijk zijn bepaalde (muzische) elementen van de viering op school mee voor te bereiden. Bv. het aanleren van de liedjes.

Meer informatie over de voorbereiding van de eerste communie vind je hier.

Over vorming en nascholing voor de leermeester RKG

In het kader van de decretale opdracht voor de bevorderng van de pedagogische bekwaamheid en beroepskwaliteit van de leermeester RK godsdiest en het bewaken van de onderwijskwaliteit van het vakgebied RKG (decreet 01-12-1993/B.S. 21-12-1993) voorziet de inspectie-begeleiding RKG voor ieder schooljaar een vormingsprogramma

1. Een verplichte vorming en een meer open aanbod

Een gedeelte van deze vorming wordt door de inspectie verplicht gesteld voor alle leermeesters RKG.
Voor het verplicht programma beperken we ons tot drie vormingsmomenten binnen de schooluren: twee vormingssessies van een halve dag en één studiedag van een ganse dag.

Naast het verplichte gedeelte is er ook een ruimer open aanbod binnen het vormingsprogramma. Om in te schrijven voor dit open aanbod overleg je vooraf met de directie van je school over de keuz die je wenst te maken.

2. Kosten voor studiedagen

Voor deze vormingsactiviteiten is voozien dat in de deelnamekosten wordt bijgedragen vanuit het nascholingsbudget van de school (zie: Ministriële Omzendbrief 'Onderwijsinspectie over de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer' nr. 8 d.d. 15/07/2002).
Als je in meerdere scholen bent tewerkgesteld, wordt de bijdrage meestal verdeeld tussen de scholen of beurtelings betaald.

Inschrijven voor het vormingsprogramma gebeurt na overleg met de directie van de school via de website

3. Afspraken tussen de titularis en de vervanger rond vorming

De directie schrijft de leermeester(s) aan het begin van ieder schooljaar in voor de overeengekomen selectie uit het vormingsprogramma. Op het moment dat een leermeester RKG afwezig is en vervangen wordt, volg je, als de vervanger, de vormingen waarvoor de titularis ingeschreven is. Het spreekt voor zich dat de titularis jou als vervanger hiervan op de hoogte brengt. Best informeer je zelf hier ook naar bij de titularis.